Samen terug naar overzicht: lessen uit de gebiedsinvesteringen rond de Eemshaven

Interview met Sofie Duin, communicatieadviseur bij Eemshaven+

Voor het programma Eemshaven+ werkt communicatieadviseur Sofie Duin dagelijks aan de verbinding tussen de Eemshaven en het omringende gebied. In dit gesprek met Kars en Marije vertelt ze openhartig over de uitdagingen, het proces rondom de PAWOZ-Gebiedsinvesteringen (middelen uit het landelijk programma Aansluiting Wind Op Zee) en de samenwerking met externe partners zoals Het Zuiderlicht.

Sofie, kun je kort schetsen wat jouw rol binnen Eemshaven+ is?

“Vanaf mei vorig jaar werk ik als communicatieadviseur voor het programma Eemshaven+. De gemeente Het Hogeland heeft dit programma opgezet zodat de ontwikkeling van de Eemshaven niet op zichzelf staat, maar ook voor groei zorgt in het gebied om de haven heen. Die ontwikkeling gaat razendsnel, bijvoorbeeld op het gebied van energie en infrastructuur. Tegelijk vinden we het belangrijk dat dit ook iets oplevert voor de mensen die hier wonen.”

Jullie werken met twee sporen: Eemshaven en Plus. Hoe moet je dat zien?

“De Eemshavenkant gaat over strategie: wat komt er wel en niet in de haven? De Pluskant richt zich op de inwoners: hoe zorgen we ervoor dat beschikbare middelen, geld, tijd, mensen, zo effectief mogelijk landen in de dorpen? Dat laatste is waar ik vooral bij betrokken ben.”

De gebiedsinvesteringen (PAWOZ’s), wat houden die precies in?

“Het zijn investeringen die de leefbaarheid in dorpen rondom de Eemshaven moeten verbeteren. De gebiedsinvesteringen komen uit het landelijke programma Aansluiting Wind op Zee (PAWOZ). Dat programma zorgt ervoor dat wind-energie van zee aan land wordt gebracht, onder andere via de Eemshaven. Omdat dat impact heeft op de omgeving, heeft het Rijk geld beschikbaar gesteld voor de omliggende dorpen.

Met dat geld investeren we in de leefbaarheid van de dorpen. Een deel gaat bijvoorbeeld naar woningisolatie in Oudeschip, letterlijk de achtertuin van de haven. Daar worden woningen verduurzaamd en beter bestand gemaakt tegen geluid. Maar dat is één voorbeeld. Dorpen hebben hard gewerkt aan eigen plannen, die nu echt uitgevoerd kunnen worden.”

De dorpen zijn dus echt aan zet?

“Ja en dat is mooi, maar ook intensief. Dorpsbelangenverenigingen kregen een enorm pakket op hun bord. Ze hebben ontzettend veel vrijwilligersuren gemaakt. En eerlijk: we hebben ze soms overvraagd. Zeker toen het proces vastliep.”

Je noemde dat er een periode van stilstand was. Hoe kwam dat?

“De spelregels veranderden terwijl het project al liep, waardoor de gemeente de rol van subsidieverstrekker kreeg. Daar waren we op dat moment niet op ingericht. Tegelijk hadden dorpen onder hoge tijdsdruk al plannen gemaakt en liep de kwaliteit van externe input uiteen. Het werd simpelweg te groot voor de formatie die we hadden.”

En toen kwam Het Zuiderlicht in beeld.

“Precies. We hadden expertise nodig én iemand die het grote plaatje weer zichtbaar kon maken. Dat is waar Het Zuiderlicht heel sterk bleek.”

‘Een frisse blik en een scheut structuur’

Wat was jouw eerste ‘aha‑moment’ met Het Zuiderlicht?

“Dat was boven bij jullie op zolder, tijdens onze eerste gezamenlijke sessie. Joost en Jorrit hadden het hele proces visueel uitgewerkt op één slide: dit moet er gebeuren, in deze volgorde, in deze tijdslijn. Zo eenvoudig, zo duidelijk. Het voelde alsof er een raam werd opengezet. Niet alles dichttimmeren, maar wéér durven lopen. Dat vond ik spannend, maar het gaf ook rust.”

Wat maakte het spannend?

“Binnen onze organisatie zijn we gewend om veel vooraf op papier te zetten, zodat we grip hebben op hoe het proces gaat lopen. Of in ieder geval het gevoel hebben dat we dat weten. Dit was de omgekeerde aanpak: we wisten waar we heen moesten, en gaandeweg zouden we obstakels oplossen. Dat vraagt vertrouwen. Maar vanaf het begin voelde ik dat bij hen. We vormden echt een projectteam.”

Wat veranderde er concreet in jullie manier van werken?

“Structuur, structuur, structuur. Duidelijke overlegvormen, weekplanningen, terugkoppelmomenten, helder opschrijven wat we doen en waarom. Het klinkt simpel, en dat is het ook, maar het maakte zó’n verschil. Ik dacht soms echt: waarom deden we dit niet al zo?”

Wanneer voelde je je het meest gesteund?

“Dat was op een donderdag – mijn vaste PAWOZ‑dag. Ik zat midden in chaos, alles leek een brei. Joost en Joran (de derde collega met een ‘J’) liepen met me mee, gaven feedback, humor, lucht en vooral vertrouwen. Op een gegeven moment zei Joost lachend dat ze me bijna aan het opleiden waren tot projectleider. En dat voelde voor mij als: jij mag er zijn, jij doet ertoe. Dat was precies wat ik nodig had.”

Was er ook een moment dat je dacht: jongens, nu even niet?

“Nou… de eerste presentatie was ‘te technisch, te beleidsmatig’. Dat werkte niet voor dorpsbewoners die vooral willen weten: wat betekent dit voor mij? Dus daar hebben we samen in bijgestuurd. Maar echt irritatie? Nee. Het voelde altijd als één team.”

Tot slot: wat is jouw belangrijkste inzicht uit dit hele traject?

“Ik heb geleerd dat projecten mis kunnen lopen zonder dat iemand daar schuld aan heeft. Te weinig mensen, rolvermenging, onduidelijke spelregels, je zit zo met z’n allen in de modder. Maar ik heb óók geleerd hoe krachtig het is als er dan iemand naast je komt staan die zegt: we halen jullie eruit, en we gaan door. Dat heeft Het Zuiderlicht ons gebracht. Structuur, vertrouwen en de ruimte om weer te bewegen. En daarmee zijn we niet alleen verder gekomen, het heeft mij persoonlijk ook veel geleerd.”